Er zijn televisiemomenten die zo banaal zijn dat ze, juist daardoor, bijna filosofisch worden. Woensdagavond verliet Rob Trip tijdens het NOS Journaal de studio om buiten naar de zonsverduistering te kijken. Hij zette een speciale eclipsbril op, keek naar de zon die door de maan gedeeltelijk aan het zicht werd onttrokken en keerde daarna terug naar de veilige architectuur van de studio, waar de werkelijkheid gewoon weer haar gebruikelijke vorm aannam: oorlogen, politici, deskundigen, cijfers, crises, grafieken en mensen die ons uitleggen wat wij zojuist geacht worden te hebben gezien.
Op zichzelf was het een charmant tafereel. Een nieuwslezer die even ophoudt nieuwslezer te zijn en naar de hemel kijkt. Maar juist het brilletje maakt de scène onweerstaanbaar als metafoor. Rob Trip droeg een bril om de werkelijkheid te kunnen zien zonder zijn ogen te beschadigen. En daar ontstaat een merkwaardige gedachte: misschien is het journaal zelf ook een bril. Misschien kijkt de kijker niet rechtstreeks naar de werkelijkheid, maar naar een zorgvuldig gefilterde versie daarvan. En misschien wordt het pas echt interessant wanneer we drie verschillende brillen naast elkaar leggen: de eclipsbril van Rob Trip, de speciale bril uit They Live en de collectieve 3D-bril van Guy Debords The Society of the Spectacle.
Die drie brillen doen ogenschijnlijk totaal verschillende dingen. De eerste beschermt, de tweede onthult en de derde maakt deel uit van een publiek dat zich gezamenlijk overgeeft aan de wereld van het beeld. De ene bril beschermt de ogen tegen een teveel aan licht, de andere onthult volgens John Carpenters film wat achter de zichtbare werkelijkheid verborgen zit, en de derde, op de beroemde omslag van Debords boek, maakt deel uit van een voorstelling die door een publiek collectief wordt geconsumeerd. Samen vormen ze bijna een kleine geschiedenis van onze verhouding tot de werkelijkheid: eerst moeten we worden beschermd tegen wat we zien, vervolgens moeten we leren zien wat verborgen is, en tenslotte ontdekken we dat we misschien allang naar een scherm kijken in plaats van naar het leven zelf.
De eclipsbril is de meest onschuldige van de drie. Zij heeft geen ideologische pretentie. Zij zegt niet wat de zon betekent en probeert evenmin te bepalen wat wij van de zon moeten vinden. Zij doet iets eenvoudigs: zij filtert. Zonder de bril is het licht te intens; met de bril wordt het mogelijk om te kijken. Dat is precies waarom zij zo'n perfecte metafoor voor media is. Media maken de werkelijkheid niet noodzakelijk onwaar. Zij maken haar hanteerbaar. De wereld is te groot, te complex en te overvloedig om rechtstreeks in haar geheel te worden waargenomen. Dus filteren we. We selecteren. We ordenen. We maken een overzichtelijke versie van de chaos.
Daar begint echter het probleem. Zodra er gefilterd wordt, wordt er ook weggelaten. De eclipsbril laat je veilig naar de zon kijken, maar niet alles wat rondom de zon gebeurt wordt daardoor beter zichtbaar. De bril beschermt én beperkt. Het is precies die dubbele functie die in het nieuwsbedrijf vaak uit het zicht verdwijnt. Een journaal kan uitstekend werk verrichten en toch een selectie van de werkelijkheid presenteren. Het kan feitelijk correcte informatie geven en tegelijkertijd bepaalde aspecten van de wereld nauwelijks zichtbaar maken. Dat is geen contradictie. Het is de onvermijdelijke consequentie van iedere vorm van representatie.
Rob Trip stond daar dus met een bril die letterlijk tussen zijn ogen en de zon zat. Wij stonden ondertussen thuis achter een tweede filter: het televisiescherm. En daar werd het werkelijk komisch. Wij keken niet naar de zonsverduistering. Wij keken naar Rob Trip die naar de zonsverduistering keek. De camera keek naar hem terwijl hij naar de zon keek, en wij keken naar het beeld van de camera die naar hem keek. De werkelijkheid was dus niet verdwenen, maar inmiddels wel voorzien van een indrukwekkende hoeveelheid tussenstations. De zon stond ergens boven Nederland; wij kregen Rob Trip.
Hier komt The Society of the Spectacle binnen. Guy Debord schreef in 1967 dat het spektakel niet simpelweg bestaat uit een grote hoeveelheid beelden. Het is een maatschappelijke verhouding waarin mensen steeds meer via beelden tot de wereld en tot elkaar worden verhouden. Het leven verschijnt als voorstelling. De ervaring wordt bemiddeld. Wat direct had kunnen worden beleefd, wordt iets waarnaar men kijkt. Het beroemde beeld op de omslag van veel edities van Debords boek vat dat op bijna komische wijze samen: een bioscooppubliek zit collectief met 3D-brillen op naar een scherm te kijken. Iedereen heeft een speciale bril nodig om de door het spektakel aangeboden werkelijkheid te ervaren.
Die omslag is bijna een visuele grap over de moderne mens. Een zaal vol mensen zit daar keurig naast elkaar, allemaal naar hetzelfde scherm gericht, allemaal met dezelfde vreemde bril op. Ze kijken naar een kunstmatige wereld die hen als werkelijkheid wordt aangeboden. Debord had geen betere illustratie kunnen wensen van zijn stelling dat het spektakel niet alleen iets is wat wij bekijken, maar een sociale werkelijkheid waarin het kijken zelf wordt georganiseerd. De toeschouwer is niet simpelweg iemand die beelden consumeert. Hij wordt onderdeel van een systeem waarin beelden steeds meer zijn verhouding tot de wereld bepalen.
En nu staat, ruim een halve eeuw later, Rob Trip op een dak met zijn eigen speciale bril. Het verschil is slechts dat het publiek ditmaal niet met een 3D-bril naar een fictieve wereld kijkt. Wij kijken naar een presentator met een eclipsbril die naar de echte wereld kijkt. Maar het mechanisme is merkwaardig vergelijkbaar. De kijker blijft zitten. De werkelijkheid wordt naar het scherm gebracht. De ervaring wordt bemiddeld. Het spektakel zegt in feite: u hoeft niet naar buiten; wij hebben iemand naar buiten gestuurd.
Dat is misschien wel de ultieme service van de moderne media-industrie. Waarom zou u zelf naar de hemel kijken als Rob Trip het voor u kan doen? Waarom zelf een krant lezen als een presentator u kan vertellen wat vandaag belangrijk was? Waarom zelf bronnen vergelijken als een deskundige al heeft vastgesteld hoe het zit? Waarom zelf naar een protest gaan als een verslaggever ter plaatse u vijftig seconden sfeerbeelden kan bezorgen? Waarom zelf de wereld onderzoeken als de wereld iedere avond keurig bij u thuis wordt afgeleverd?
Het is buitengewoon efficiënt. Het is ook buitengewoon comfortabel. En juist daarom verdient het aandacht. Want de spektakelmaatschappij hoeft de mens niet te dwingen om naar het scherm te kijken. De mens wil het scherm zelf. Hij wil overzicht, snelheid, drama en duiding. Hij wil de wereld begrijpen zonder noodzakelijkerwijs de moeite te hoeven nemen haar rechtstreeks te onderzoeken. Het spektakel is succesvol wanneer het niet als dwang wordt ervaren, maar als gemak.
Dan verschijnt de tweede bril: die uit They Live. John Carpenters film uit 1988 geeft ons een heel ander beeld van kijken. De hoofdpersoon ontdekt een speciale zonnebril waarmee hij de ideologische boodschappen achter de oppervlakte van de samenleving kan zien. Waar gewone mensen reclame en keurige façades zien, ontdekt hij bevelen en manipulatieve boodschappen. De bril onthult dat de zichtbare wereld niet neutraal is. Achter de gewone voorstelling zit een systeem van macht en ideologie.
Het geniale aan They Live is dat de bril niet simpelweg de werkelijkheid vervangt door een andere werkelijkheid. Hij maakt zichtbaar dat de eerste werkelijkheid al geconstrueerd was. De hoofdpersoon ontdekt niet dat hij daarvoor letterlijk niets zag. Hij ontdekt dat hij niet wist wat hij zag. Dat onderscheid is essentieel. Ideologie werkt immers zelden doordat zij voortdurend tegen de burger zegt: “Dit is een leugen.” Veel effectiever is het wanneer zij bepaalt wat vanzelfsprekend lijkt.
Daarmee komt They Live gevaarlijk dicht bij de journalistieke werkelijkheid. Niet omdat de NOS vol buitenaardse wezens zou zitten die ons via het journaal bevelen geven. Dat zou een nogal kinderachtige analyse zijn. De interessante vraag is juist waarom daarvoor helemaal geen geheime samenzwering nodig is. Een institutionele bril werkt ook zonder geheime vergadering. Nieuwswaarden, redactionele routines, bronnenrelaties, professionele normen en politieke taal bepalen gezamenlijk welke werkelijkheid als relevant verschijnt. Niemand hoeft te zeggen: “Verberg dit.” Het kan voldoende zijn dat iets nooit als nieuwswaardig wordt beschouwd.
Dat is veel subtieler dan censuur. Censuur zegt: dit mag je niet zien. Framing zegt: dit is wat redelijkerwijs de moeite waard is om te bekijken. Het verschil is enorm. In het eerste geval weet de burger dat er iets wordt verborgen. In het tweede geval merkt hij niet eens dat er iets ontbreekt. Hij krijgt twintig onderwerpen en denkt dat hij de wereld heeft gezien.
Daarom is de They Live-bril uiteindelijk gevaarlijker als metafoor dan de eclipsbril. De eclipsbril vertelt ons dat wij filteren. De They Live-bril vraagt ons waarom. Wie heeft bepaald wat erdoorheen komt? Wie heeft bepaald wat niet zichtbaar is? Waarom noemen wij sommige mensen deskundig en andere mensen verdacht? Waarom krijgt een bepaalde politieke uitspraak onmiddellijk context en een andere vooral verontwaardiging? Waarom wordt het ene probleem als maatschappelijk structureel behandeld en het andere als individuele afwijking?
De antwoorden hoeven niet samenzweerderig te zijn. Integendeel, de meest invloedrijke systemen zijn vaak juist systemen zonder centraal commando. Een journalistieke cultuur hoeft geen propagandaministerie te hebben om ideologisch te functioneren. Zij hoeft alleen maar over gedeelde vanzelfsprekendheden te beschikken. Wanneer iedereen dezelfde uitgangspunten gebruikt, hoeft niemand de anderen te vertellen welke werkelijkheid ze moeten produceren. De productie loopt vanzelf.
Daarom is de vraag “Is de NOS links of rechts?” uiteindelijk tamelijk oninteressant. Links en rechts kunnen dezelfde bril dragen. Veel belangrijker is de vraag welke werkelijkheid als vanzelfsprekend wordt aangenomen voordat links en rechts überhaupt hun debat beginnen. Welke instituties gelden als legitieme bronnen? Welke deskundigheid telt? Welke begrippen zijn beschikbaar? Welke vormen van protest zijn respectabel? Welke problemen kunnen binnen het bestaande beleidskader worden besproken en welke lijken al snel irrationeel?
De journalistieke bril is dus niet noodzakelijk een politieke kleur. Hij is een architectuur van zichtbaarheid.
En dan wordt de recente benoeming van Pieter-Jaap Aalbersberg interessant. Aalbersberg, voormalig Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, werd in juli 2026 benoemd tot voorzitter van de Raad van Toezicht van de NPO. Hij was van 2019 tot 2025 hoofd van de NCTV. De NPO presenteerde zijn benoeming als een versterking van de organisatie dankzij zijn bestuurlijke ervaring en zijn kennis van politiek en maatschappelijk gevoelige dossiers.
Men moet hier zorgvuldig zijn. Aalbersberg is niet “de nieuwe hoofdredacteur van het NOS Journaal” en de Raad van Toezicht is niet hetzelfde als de dagelijkse leiding van de NPO. Het zou intellectueel gemakzuchtig zijn om van zijn benoeming onmiddellijk een bewijs van staatscontrole over de journalistiek te maken. Daarvoor is geen bewijs nodig en zo'n conclusie volgt ook niet uit de benoeming zelf.
Maar juist omdat men niet meteen in complotdenken hoeft te vervallen, kan men de institutionele vraag stellen. Wat betekent het wanneer iemand met jarenlange ervaring aan het hoofd van het nationale veiligheidsapparaat vervolgens toezicht gaat houden op de publieke omroep? Welke ideeën over veiligheid, maatschappelijke stabiliteit, desinformatie, radicalisering en publieke verantwoordelijkheid bewegen zich daardoor mogelijk tussen twee institutionele werelden? Niet noodzakelijk als geheime instructies, maar als professionele taal, perspectief en bestuurlijke gevoeligheid?
Dat zijn legitieme vragen. En het zijn vragen die juist in een democratische mediacultuur gesteld zouden moeten kunnen worden zonder dat degene die ze stelt onmiddellijk een aluminium hoedje krijgt aangemeten. De ironie zou immers zijn dat de samenleving die beweert buitengewoon bezorgd te zijn over desinformatie, steeds minder bereid zou zijn om kritisch te onderzoeken hoe officiële definities van betrouwbaarheid en gevaar zelf tot stand komen.
Hier raakt Aalbersberg aan de derde bril. De publieke omroep is immers niet slechts een verzameling televisieprogramma's. Hij is onderdeel van een institutioneel systeem dat mede bepaalt hoe de samenleving zichzelf ziet. De vraag is niet of één voormalig NCTV-hoofd daar persoonlijk de inhoud van uitzendingen bepaalt. Dat doet hij niet. De vraag is welke institutionele logica's elkaar raken wanneer veiligheidsdenken en publieke informatievoorziening elkaar op bestuurlijk niveau ontmoeten.
Dat is geen bewijs van een complot.
Het is een reden om de bril schoon te houden.
Want They Live heeft nog een les die vaak wordt vergeten: wie eenmaal ontdekt dat er een ideologische laag bestaat, moet oppassen niet te geloven dat hij daarmee automatisch de waarheid bezit. De speciale bril maakt de drager niet alwetend. Hij maakt hem slechts bewust van het bestaan van een verborgen laag. Dat is een groot verschil. Wie na het opzetten van zijn alternatieve bril onmiddellijk denkt dat alle officiële informatie leugenachtig is, heeft eenvoudigweg een nieuwe orthodoxie gebouwd.
De ene bril is niet automatisch waar omdat hij de andere wantrouwt.
Daarom zijn de drie brillen samen interessanter dan ieder afzonderlijk. De eclipsbril leert ons dat waarneming bescherming en filtering vereist. De They Live-bril leert ons dat achter een vanzelfsprekende werkelijkheid ideologische structuren kunnen schuilgaan. Debords 3D-bril leert ons dat wij misschien niet alleen naar beelden kijken, maar een samenleving hebben opgebouwd waarin beelden onze verhouding tot de werkelijkheid organiseren.
Dat laatste is misschien het meest radicale inzicht.
De vraag is niet langer alleen: “Wat vertelt de televisie mij?”
De vraag wordt: “Waarom voelt televisie kijken voor mij als weten?”
Dat is een veel vervelender vraag.
Want als televisie ons werkelijk zou bedriegen, zou het probleem eenvoudig zijn. Dan zouden we de leugen kunnen ontmaskeren en klaar. Maar wat als het journaal grotendeels waar is? Wat als de feiten kloppen? Wat als de beelden authentiek zijn? Wat als de deskundigen inderdaad deskundig zijn? Dan blijft de vraag overeind wat er niet wordt getoond, welke volgorde wordt gekozen, welke context ontbreekt en welke interpretatie door de structuur van de uitzending vanzelfsprekend wordt gemaakt.
Het spektakel hoeft niet te liegen.
Het hoeft alleen maar volledig genoeg te lijken.
Dat is misschien de grootste prestatie van moderne nieuwsmedia: ons het gevoel geven dat we geïnformeerd zijn zonder ons noodzakelijkerwijs het hele object van informatie te laten zien. Een halfuur televisie kan een enorme hoeveelheid feiten bevatten en toch een zeer beperkt beeld van de werkelijkheid produceren.
De kijker voelt zich vervolgens goed geïnformeerd.
Hij heeft immers gekeken.
Dat is de moderne versie van de bioscoopfoto op Debords boekomslag. Alleen dragen wij geen rood-blauwe kartonnen bril meer. Onze bril is onzichtbaar geworden. Hij bestaat uit het scherm, de selectie, de notificatie, de nieuwsapp, de pushmelding, de liveblog en het voortdurende commentaar. Wij lopen niet meer naar de bioscoop om het spektakel te ontmoeten. Het spektakel loopt met ons mee.
En soms staat het op het dak van de NOS.
Dan is er een zonsverduistering.
Rob Trip zet een eclipsbril op.
De camera draait.
En plotseling hebben we alle drie de brillen tegelijk.
De eerste bril beschermt de ogen tegen de zon. De tweede zou volgens Carpenter onthullen wat achter de oppervlakte verborgen ligt. De derde, bij Debord, onthult dat we allang naar het scherm kijken. En de kijker thuis draagt uiteindelijk alle drie.
Hij heeft een filter nodig om naar de werkelijkheid te kunnen kijken. Hij heeft een kritische bril nodig om de filters te herkennen. En hij zit ondertussen zelf naar een scherm te kijken dat hem vertelt hoe de werkelijkheid eruitziet.
Dat is geen complot.
Dat is beschaving.
En misschien is dat nog veel verontrustender.
Want als het probleem slechts een paar slechte acteurs waren, konden we ze vervangen. Maar wat als het probleem structureel is? Wat als iedere moderne samenleving een optisch systeem nodig heeft omdat de werkelijkheid te complex is om rechtstreeks te verwerken? Dan kunnen we de bril nooit helemaal afzetten. We kunnen hem hoogstens zichtbaar maken.
Dat zou misschien de meest volwassen vorm van mediakritiek zijn: niet eisen dat het journaal zonder bril kijkt, maar eisen dat het eerlijker wordt over het feit dat het een bril draagt.
Zeg niet: “Dit is de werkelijkheid.”
Zeg: “Dit is wat wij vandaag uit de werkelijkheid hebben geselecteerd.”
Zeg niet: “Dit is wat deskundigen vinden.”
Zeg: “Dit zijn de deskundigen die wij hebben gekozen.”
Zeg niet: “Dit is het belangrijkste nieuws.”
Zeg: “Dit vonden wij het belangrijkste nieuws.”
Het klinkt als een klein verschil.
Het is een enorm verschil.
Want zodra de bril zichtbaar wordt, kan de kijker erover nadenken.
Zolang de bril onzichtbaar blijft, denkt hij dat hij gewoon kijkt.
Misschien was dat daarom, ondanks alle ernst waarmee wij tegenwoordig naar televisie kijken, het grappigste beeld van die hele zonsverduistering. Rob Trip stond daar niet als de almachtige ziener van de actualiteit. Hij stond daar als ieder ander mens, met een goedkoop ogend stukje optisch hulpmateriaal op zijn neus, naar een hemellichaam te turen.
Voor één moment was de grote nieuwsverteller gewoon een toeschouwer.
En wij waren toeschouwers van een toeschouwer.
Debord had er waarschijnlijk van genoten.
Carpenter had er een film in gezien.
En Rob Trip wilde vermoedelijk alleen maar naar de zon kijken.
Dat is misschien de mooiste ironie van allemaal.
De mens die iedere avond zegt wat er in de wereld gebeurt, moest voor één keer zelf een bril opzetten om de wereld te kunnen zien.
En ondertussen zat het publiek thuis achter zijn eigen scherm, met zijn eigen onzichtbare bril, te kijken naar het beeld van iemand die door een bril naar de werkelijkheid keek.
Drie brillen.
Drie niveaus van bemiddeling.
De eerste beschermt tegen het licht.
De tweede onthult de ideologie.
De derde onthult dat we allang naar het scherm kijken.
En ergens tussen die drie brillen bevindt zich het journaal.
Misschien wil het ons inderdaad iedere avond de wereld door een andere bril laten zien.
Niet noodzakelijk omdat iemand ons wil misleiden.
Maar omdat niemand de werkelijkheid rechtstreeks kan uitzenden.
De werkelijke vraag is daarom niet of Rob Trip een bril droeg.
Dat weten we.
De vraag is welke bril wij droegen toen we naar hem keken.
En nog belangrijker: wie heeft ons geleerd dat die bril er niet was?